IRA (uit Vrij Nederland 22 december 2025)
Colm Scullion was eind jaren zeventig één van de boegbeelden van de Provisional IRA. Nu, twintig jaar nadat de IRA de wapens neerlegde, kijkt de oud-strijder terug op zijn leven en vooruit naar de toekomst. Hij hoopt nog altijd op een verenigd Ierland en duurzame vrede daarbuiten.
Colm Scullion (67) sloot zich als jonge Ierse Republikein tijdens The Troubles in Noord-Ierland eind jaren zeventig, aan bij de Provisional IRA. Zestien was hij, toen hij begon te vechten tegen de Britse regering, vóór een groot verenigd Ierland. Tijdens een mislukte bomaanslag raakte hij zwaargewond, werd opgepakt en bracht jaren in de gevangenis door, waar hij een cel deelde met de beroemde IRA-strijder Bobby Sands.
Dit jaar is het twintig jaar geleden dat de IRA de wapens neerlegde en de vrede in Noord-Ierland tot stand kwam. Scullion gelooft – felrood T-shirt, lang haar, licht bakkebaardje – nog steeds in een verenigd Ierland, maar niet meer met geweld. Bij binnenkomst in zijn gezellig huisje in Bellaghy, Noord-Ierland, wordt meteen duidelijk dat we hier te maken hebben met een strijder pur sang: aan de muren hangen foto’s van omgekomen hongerstakers en andere herinneringen aan de strijd. In zijn tuin wappert de Palestijnse vlag. Het zachte herfstlicht valt door de ramen en verlicht de glooiende Ierse heuvels op de achtergrond, een perfecte setting voor een gesprek over conflict en duurzame vrede.
Hoe ben je in de strijd verwikkeld geraakt?
‘Toen ik tien was, waren de burgerrechtenprotesten al volop aan de gang. Mijn ouders demonstreerden mee tegen discriminatie, en op het nieuws zag ik hetzelfde onrecht overal. Mensen eisten hun basisrechten: stemmen, werk en huisvesting. Bloody Sunday in 1972 staat nog vers in mijn geheugen gegrift: veertien ongewapende demonstranten werden doodgeschoten door het Britse leger. Ik voelde diepe woede en de behoefte om iets te doen. Terwijl de meeste mensen thuis zaten voor het kerstdiner, stonden we buiten een gevangenkamp om steun te betuigen aan onze mensen die zonder aanklacht of proces waren opgesloten.
‘Gaandeweg kreeg ik het gevoel dat de passieve beweging weinig uithaalde. Daarom besloot ik op mijn zestiende om me aan te sluiten bij de Provisional IRA. Ik kwam bij de lokale eenheid terecht, en we kregen training in wapens, explosieven en andere militaire technieken. Op 9 oktober 1976 voerden we een bomaanslagoperatie uit. Helaas, ontplofte een van onze bommen voortijdig. Ik zat onder de benzine en was omringd door drie andere niet-geëxplodeerde bommen. Ik kon niet wegkomen omdat het een auto met twee deuren was. Ik dacht dat ik zou sterven.’
Hoe wist je toch te overleven?
‘We raakten allemaal zwaargewond: mijn vriend Sean McPeake verloor zijn rechterbeen, Thomas McElwee, de bestuurder, verloor een oog en stierf later tijdens een hongerstaking, en Benedict McElwee raakte aan zijn onderlichaam gewond en ikzelf liep uitgebreide verwondingen op. Toen ik uit de auto wist te komen, merkte ik dat mijn voet in een onnatuurlijke hoek hing en mijn tenen nauwelijks nog vastzaten. Bloed gutste eruit op het ritme van mijn hartslag.
‘Even later verschenen de blauwe zwaailichten en arriveerde de politie. Het was chaos; de agenten wisten niet of we IRA-leden of burgers waren. Een man pakte me vast en zei: “Je bloedt dood.” Hij legde me op de grond en zette een tourniquet om mijn been. Ik voelde mezelf wegdrijven en zweefde, ik keek omhoog en werd zwak, tot ik twee mannen in witte jassen om me heen zag en ineens achter in een ambulance zat. Toen een dokter mijn nieuwe leren jas wilde openknippen, zei ik: “Dat is mijn nieuwe leren jas.” Ik heb hem nog kunnen uitdoen en raakte buiten bewustzijn. Later werd ik wakker, eerst in een lift die omhoog ging, dan op de operatietafel en daarna vroeg in de ochtend. Toen vertelde een verpleegster dat er in de stad bommen waren afgegaan en dat er iemand was omgekomen.’
Werden jullie meteen opgepakt?
‘De volgende dag werden we overgebracht naar het militaire ziekenhuis net buiten Belfast, onder voortdurende bewaking. De pijn was ondraaglijk, de artsen legden uit hoe ernstig mijn verwondingen waren en dat ik huidtransplantaties nodig zou hebben. In die eerste paar dagen probeerde ik te bevatten wat er gebeurd was, terwijl de Special Branch al langskwam voor verhoren. We werden aangeklaagd voor de bomaanslagen. Ik was de laatste die het militaire ziekenhuis verliet, dat was vlak voor Kerstmis. Ik belandde in het gevangenisziekenhuis in Belfast. Het duurde bijna een jaar vooraleer al mijn verwondingen waren genezen. Ik moest helemaal opnieuw leren lopen en liep lange tijd op krukken.
‘Uiteindelijk kwam ik terecht in de Crumlin Road-gevangenis in Belfast. Daar, op vleugel A, ontmoette ik Bobby Sands, Thomas opnieuw en de rest van de bomaanslagploeg. In maart 1976 hief de Britse regering onze rechten op, we werden niet langer als politieke gevangenen gezien, maar als gewone criminelen. In september, oktober 1977, werden wij veroordeeld, en overgebracht naar de beruchte H-Blocks. We moesten een gevangenisuniform dragen. Medestrijder Ciarán Nugent was de eerste die weigerde het uniform te dragen.’
Dat was het begin van het bekende ‘dekenprotest’. Een bewuste strategie van de IRA?
‘Nee, het begon spontaan. Toen Ciarán Nugent weigerde een uniform te dragen, zat hij lange tijd naakt in een cel. Toen andere veroordeelde IRA-gevangenen arriveerden, weigerden ook zij het uniform te dragen. Zo ontstond bijna toevallig het dekenprotest. Daar werkten uiteindelijk zo’n driehonderd gevangenen aan mee, inclusief twintig tot dertig vrouwelijke kameraden in de Armagh-gevangenis.
‘Gaandeweg verslechterden de omstandigheden; de wreedheid hield nooit op. We werden voortdurend aangevallen door de bewakers. We beschikten over drie dekens, een handdoek, een poeppot, een plastic beker, zes stukjes toiletpapier per dag en de Bijbel. We lazen daarin van kaft tot kaft, meerdere keren, omdat we niets anders hadden. Als je iets over de Bijbel wilt weten, vraag het maar aan mij. Ik ben atheïst voor een reden. We hadden recht op één familiebezoek van dertig minuten per maand, en kregen één appel of sinaasappel per week, drie eenvoudige maaltijden per dag, een gallon water. Het voedsel werd vaak opzettelijk bedorven. Zelfs douchen of naar het toilet gaan, leidde tot aanvallen van de bewakers.
‘Omdat we in de wasruimte werden aangevallen, weigerden we ons nog te wassen. Dat was het niet-wasprotest. De Britten noemden het het “dirty protest” om ons in een kwaad daglicht te zetten. We smeerden onze eigen uitwerpselen op de muren. Het was zwaar; geestelijk en lichamelijk leden we enorm. Ik verloor de helft van mijn lichaamsgewicht en belandde in het gevangenisziekenhuis. De protesten escaleerden, terwijl buiten de gevangenismuren de steun groeide. We wisten dat ons protest op een keerpunt stond: het was erop of eronder.’
Toen volgden ook nog de hongerstakingen.
‘Ja, de eerste hongerstaking begon in oktober 1980 en eindigde toen de Britse regering een akkoord sloot met de gevangenen. Toen begin 1981 echter duidelijk werd dat het parlement onze eis om de speciale status voor de politieke gevangenen terug te krijgen, niet zou inwilligen, volgde een tweede hongerstaking.
‘Bobby Sands die ons vertegenwoordigde bij de onderhandelingen zat een paar cellen verderop. De bewakers kwamen hem halen zodat hij naar het gevangenisziekenhuis kon gaan. Diezelfde nacht kwam hij terug en vertelde dat de Britse regering zich niet aan de afspraak had gehouden en dat een nieuwe hongerstaking zou volgen. Sands zei: “Vertel jullie families dat ze kleding moeten opsturen.” De gevangenisautoriteiten weigerden die burgerkleding te accepteren, wat binnen en buiten de gevangenis tot problemen leidde. Zo werd de tweede hongerstaking ingezet.’